ECLI:NL:RBDHA:2024:20080
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in Dublin-zaak wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekers dienden verzoeken in voor voorlopige voorzieningen om te voorkomen dat zij worden verwijderd uit de opvang en overgedragen aan Zweden, in afwachting van de beslissing op hun beroepen tegen de niet-inhoudelijke behandeling van hun asielaanvragen.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Verzoekers hadden twee gronden aangevoerd: het niet in behandeling nemen van hun aanvragen en de onbevoegdheid van de minister om de besluiten te nemen.
Ter zitting trokken verzoekers de eerste grond in, waardoor alleen de tweede grond overbleef. De voorzieningenrechter stelde vast dat deze grond geen spoedeisend belang opleverde. Daarom was er geen reden om de gevraagde voorlopige voorzieningen toe te kennen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorzieningen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.