ECLI:NL:RBDHA:2024:2009

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 februari 2024
Publicatiedatum
19 februari 2024
Zaaknummer
NL23.29771
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling proceskosten na intrekking besluit in vreemdelingenzaak

Verzoekster maakte bezwaar tegen een ambtshalve genomen besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin zij niet in aanmerking kwam voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Kort daarna trok de verweerder het primaire besluit in, waarna verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening introk en tevens vergoeding van proceskosten vorderde.

De verweerder verzette zich niet tegen de vergoeding van proceskosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij intrekking van een verzoek om voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, de proceskosten kunnen worden toegewezen. De proceskosten werden vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De voorzieningenrechter wees erop dat verzoekster was vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht, zodat verweerder dit niet hoefde te vergoeden. De uitspraak werd zonder zitting gedaan en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: De voorzieningenrechter veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875,- aan proceskosten na intrekking van het primaire besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29771

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

In het besluit van 15 september 2023 (primair besluit) heeft verweerder ambtshalve bepaald dat verzoekster niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 24 september 2023 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld zich niet te verzetten tegen een vergoeding van de proceskosten van verzoekster.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het verzoek van verzoekster en is verweerder bereid de proceskosten van verzoekster te betalen.
3. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 1).
4. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoekster wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat verweerder niet op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb het griffierecht hoeft te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.