Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag, ondanks een eerdere uitspraak van de rechtbank die een beslistermijn van vier weken stelde.
Eiser stelde dat verweerder niet binnen de gestelde termijn had beslist en diende daarom beroep in. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de termijn had beslist. Verweerder had verzocht om een langere beslistermijn van twintig weken.
De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen acht weken na 4 november 2024 moet beslissen, tenzij schriftelijk wordt meegedeeld dat nader onderzoek nodig is, waarna de termijn twintig weken bedraagt. Tevens werd een dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding van de termijn.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €437,50 wegens het inschakelen van juridische hulp bij het indienen van het beroepschrift.
De uitspraak bevestigt het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen en stelt duidelijke termijnen en sancties bij niet-naleving.