Eiseres diende op 4 juni 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De staatssecretaris wees deze aanvraag bij besluit van 1 september 2022 af. Eiseres maakte bezwaar op 25 september 2022, waarop de staatssecretaris niet tijdig besliste. Na ingebrekestelling op 22 november 2023 stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft gehandeld. De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500, en stelt de reeds verbeurde dwangsom vast op €1.442.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €437,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en gebaseerd op de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht.