ECLI:NL:RBDHA:2024:20313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
NL24.38627, NL24.38629 en NL24.38631
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArtikel 18 DublinverordeningArtikel 30 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroepen tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 5 december 2024 de beroepen behandeld van drie Iraakse eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen. De minister had deze aanvragen afgewezen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eisers voerden aan dat de besluiten onbevoegd waren genomen omdat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had getekend, terwijl sinds 2 juli 2024 de Minister van Asiel en Migratie bevoegd is.

De rechtbank oordeelde dat de onjuiste ondertekening een gebrek vormt, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kan worden gepasseerd omdat eisers hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad. De rechtbank stelde vast dat de besluiten niet onbevoegd zijn genomen en wees de beroepen af. Wel werd de minister veroordeeld tot het betalen van proceskosten aan eisers vanwege het formele gebrek.

De rechtbank benadrukte dat de Dublinverordening bepaalt dat Nederland een asielaanvraag niet in behandeling neemt als een andere lidstaat verantwoordelijk is, en Zweden had de terugnameverzoeken aanvaard. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 437,50, rekening houdend met de beperkte omvang van de werkzaamheden van de gemachtigde. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.38627, NL24.38629 en NL24.38631

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
mede namens de minderjarige kinderen:

[naam], geboren op [geboortedatum],

van Iraakse nationaliteit, V-nummer: [V-nummer]

[naam], geboren op [geboortedatum],

van Iraakse nationaliteit, V-nummer: [V-nummer],
samen: eisers,
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 3 oktober 2024 niet in behandeling genomen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en tevens verzoeken ingediend tot het treffen van voorlopige voorzieningen. De verzoeken om voorlopige voorzieningen te treffen staan geregistreerd onder de zaaknummers NL24.38628, NL24.38630 en NL24.38632.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen, tezamen met de verzoeken, op 2 december 2024 op zitting behandeld. Eisers en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
1.3.
De verzoeken zijn door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 3 december 2024 afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van de aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, dit staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op
4 juni 2024 bij Zweden verzoeken om terugname gedaan. Zweden heeft deze verzoeken op 17 juni 2024, op grond van artikel 18, eerste lid en onder d van de Dublinverordening aanvaard.
5. Eisers hebben in hun beroepen een tweetal gronden opgeworpen. Allereerst verzoeken eiseres de rechtbank om de door hen ingediende zienswijzen als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast stellen eisers dat de bestreden besluiten onbevoegd zijn genomen en daarmee niet rechtsgeldig zijn. De besluiten zijn namelijk genomen door of namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Deze staatssecretaris is echter in het geheel niet (meer) verantwoordelijk en daarom ook niet bevoegd om inzake asielaanvragen besluiten te nemen. Die verantwoordelijkheid en bevoegdheid ligt sinds 2 juli 2024 bij de Minister van Asiel en Migratie.
6. Ter zitting hebben eisers de beroepsgrond, inhoudende het verzoek hetgeen door hen in de zienswijzen is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen, ingetrokken.
7. Ter zake van de resterende beroepsgrond constateert de rechtbank dat de ondertekening van de bestreden besluiten ten onrechte is gedaan uit naam van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu niet wordt betwist dat eisers door de onjuiste ondertekening niet in hun belangen zijn geschaad. [3] Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de besluiten onbevoegd zijn genomen. De beroepsgrond slaagt maar het gebrek is geen reden voor vernietiging van de bestreden besluiten nu met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aan het gebrek voorbij gegaan kan worden.
7.1.
Omdat sprake is van een gebrek en de rechtbank artikel 6:22 van Pro de Awb toepast, ziet de rechtbank conform vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wel aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers mogen worden overgedragen aan Zweden.
8.1.
Vanwege het onder rechtsoverweging 7 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken identiek zijn geweest. Ter zake van het gewicht van de zaak stelt de rechtbank vast dat de verleende rechtsbijstand uitsluitend heeft bestaan uit het signaleren van de onjuiste ondertekening van de bestreden besluiten en dat daarmee de werkzaamheden in omvang zeer beperkt zijn geweest. Omdat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en anderzijds de vergoeding evenredig moet zijn met de prestatie van de gemachtigde, stelt de rechtbank op grond van het Bpb de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt en wegingsfactor 0,25).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.