ECLI:NL:RBDHA:2024:20418
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het besluit tot oplegging van deze maatregel werd door verweerder aan eiser medegedeeld, wat gelijkgesteld werd met een beroep.
Partijen stemden in met schriftelijke behandeling. Na ontvangst van het verweerschrift op 28 november 2024 sloot de rechtbank het onderzoek op 29 november 2024. De rechtbank onderzocht of de maatregel in strijd was met de wet of niet gerechtvaardigd was gelet op alle betrokken belangen.
De rechtbank stelde vast dat er geen gronden tegen de maatregel waren ingediend en dat ook ambtshalve toetsing geen onrechtmatigheid aan het licht bracht. De vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en er waren geen bijzondere omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maakten.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.