ECLI:NL:RBDHA:2024:20427

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
NL24.45616
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel grensbewaking en schadeverzoek

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel betrof grensdetentie in het kader van de grensprocedure. Nadat de maatregel op 27 november 2024 werd opgeheven, richtte eiser zich tevens tot de rechtbank met een verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de maatregel.

De rechtbank overwoog dat het ontbreken van vermelding van zware en lichte gronden in het besluit niet leidt tot onrechtmatigheid, omdat bij grensdetentie volgens vaste jurisprudentie geen dergelijke motivering vereist is. De maatregel was bovendien rechtsgeldig gedagtekend, ondertekend door een bevoegde ambtenaar en uitgereikt aan eiser, zonder dat concrete aanwijzingen voor het tegendeel waren aangevoerd.

Gelet hierop oordeelde de rechtbank dat de maatregel niet onrechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45616

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Wudka),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 27 november 2024 heeft verweerder de bewaring opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 26 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 27 november 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft op 29 november 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen zware en lichte gronden aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Verder voert eiser aan dat de beschikking niet door een bevoegde ambtenaar is ondertekend. Ook betwist eiser dat de beschikking is uitgereikt.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het ontbreken van zware en lichte gronden de maatregel niet onrechtmatig. In het geval een vreemdeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw aan de grens is gedetineerd, is het volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [1] niet nodig dat zware en lichte gronden in het besluit worden vermeld. De maatregel van grensdetentie houdt in het geval van eiser geen verband met het vaststellen van het risico op onttrekking, maar met het feit dat het asielverzoek van eiser in de grensprocedure wordt behandeld. De behandeling in de grensprocedure is al voldoende voor het toepassen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
7. Verder komt ingevolge artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 een rechtsgeldige maatregel pas tot stand als deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen is omkleed. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de maatregel van 17 november 2024 met redenen omkleed. Op het aan eiser uitgereikte exemplaar van de maatregel is een handtekening aangebracht. De ondertekenaar van deze maatregel heeft ervoor getekend een ambtenaar belast met de grensbewaking dan wel een bevoegd ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te zijn. Uit de aanhef van de maatregel blijkt dat de ondertekenaar ambtenaar der Koninklijke Marechaussee, belast met grensbewaking is. De ondertekenaar heeft tevens verklaard de maatregel onmiddellijk aan de vreemdeling te hebben uitgereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen concrete aanknopingspunten aangedragen die aanleiding geven om hieraan te twijfelen.
8. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.