ECLI:NL:RBDHA:2024:20427
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel grensbewaking en schadeverzoek
De zaak betreft een beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel betrof grensdetentie in het kader van de grensprocedure. Nadat de maatregel op 27 november 2024 werd opgeheven, richtte eiser zich tevens tot de rechtbank met een verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de maatregel.
De rechtbank overwoog dat het ontbreken van vermelding van zware en lichte gronden in het besluit niet leidt tot onrechtmatigheid, omdat bij grensdetentie volgens vaste jurisprudentie geen dergelijke motivering vereist is. De maatregel was bovendien rechtsgeldig gedagtekend, ondertekend door een bevoegde ambtenaar en uitgereikt aan eiser, zonder dat concrete aanwijzingen voor het tegendeel waren aangevoerd.
Gelet hierop oordeelde de rechtbank dat de maatregel niet onrechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.