ECLI:NL:RBDHA:2024:20428
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel grensbewaking en schadevergoeding
De zaak betreft een beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door verweerder op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat het besluit onrechtmatig was vanwege het ontbreken van zware en lichte gronden, het ontbreken van een bevoegde ondertekening en het niet uitreiken van de beschikking.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie bij grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vw Pro het niet vereist is dat zware en lichte gronden worden vermeld, omdat de maatregel samenhangt met de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure. De maatregel is voldoende gemotiveerd en rechtsgeldig ondertekend door een ambtenaar belast met grensbewaking, en eiser heeft geen concrete aanwijzingen gegeven om dit te betwijfelen.
Daarmee is niet gebleken dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 6 december 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.