De zaak betreft een beroep tegen twee besluiten van 25 oktober 2024: de weigering van toegang tot Nederland op grond van de Schengengrenscode en de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser betwist de gronden voor de toegang weigering niet, waardoor de rechtbank uitgaat van een rechtmatige weigering.
De vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd vanwege het risico dat eiser zal onderduiken. De rechtbank acht de zwaar en licht genoemde gronden voldoende gemotiveerd en aannemelijk. Verweerder heeft voortvarend gehandeld door vertrekgesprekken te voeren en de duur van de beroepsprocedure maakt de maatregel niet onrechtmatig.
De rechtbank verklaart het beroep tegen beide besluiten ongegrond en wijst tevens het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen de daarvoor gestelde termijnen.