Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:20465

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
09/240915-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen uitvoer van ruim 18 kilo harddrugs

De rechtbank Den Haag heeft op 16 december 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van medeplegen van de uitvoer van ruim 18 kilo harddrugs, te weten MDMA en amfetamine, naar het buitenland. Het onderzoek vond plaats op 2 december 2024 waarbij de verdachte bekend heeft en de officier van justitie een gevangenisstraf van vier jaar eiste.

De bewezenverklaring betreft het opzettelijk buiten Nederland brengen en vervoeren van 18.393,88 gram MDMA en amfetamine via een postpakket verstuurd naar Maleisië, onderschept door de douane. De rechtbank achtte het feit ernstig vanwege de omvang van de drugs en de impact op volksgezondheid en ondermijnende criminaliteit. De verdachte handelde uit financieel gewin en om zijn verslaving te bekostigen.

De rechtbank nam het strafblad van de verdachte in aanmerking, waaronder eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, en een reclasseringsadvies dat een gemiddeld recidiverisico inschatte. Gelet op de ernst van het feit en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar op, met aftrek van de tijd in voorarrest. Voorwaardelijke strafdelen werden niet opgelegd, maar bijzondere voorwaarden kunnen bij voorwaardelijke invrijheidstelling worden toegepast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor medeplegen van uitvoer van ruim 18 kilo harddrugs.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/240915-24
Datum uitspraak: 16 december 2024
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaatsnaam] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 december 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. F.A. van Kins en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 8 juli 2024 tot en met 10 juli 2024 te
's-Gravenhage en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met
een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van
Nederland heeft gebracht (als bedoel in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet) en/of heeft
vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18.
393,88gram MDMA
en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA
en/of amfetamine, zijnde MDMA
en/of amfetamineeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer LXFBC24004-12, onderzoek 26SITULA, van de politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, Dienst Infrastructuur, met bijlagen (procesdossier doorgenummerd pagina 1 t/m 98) en het proces-verbaal voorgeleiding met het nummer LXFBC24004-22, onderzoek 26Situla (voorgeleidingsdossier doorgenummerd pagina 1 t/m 49).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 december 2024;
2. Het proces-verbaal van bevinding en overdracht, opgemaakt door buitengewoon opsporingsambtenaren van de Douane op 10 juli 2024 (p. 13 – 14 voorgeleidings-dossier);
3. Het proces-verbaal van ambtshandeling, opgemaakt door de FIOD op 21 augustus 2024 (p. 28 – 32 procesdossier);
4. Het geschrift, te weten een formulier met betrekking tot aantreffen verdovende middelen lijst I van Douane Amsterdam locatie IMEC, met bijlagen (p. 14 – 17 procesdossier);
5. Het deskundigenverslag, te weten een rapport van het Douane Laboratorium, op 18 september 2024 opgemaakt en ondertekend door B. Ghavim MSc, onderzoeks-medewerker bij het Douane Laboratorium te Amsterdam van de FIOD Forensische Opsporing Amsterdam (p. 34 – 35 procesdossier).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij
op8 juli 2024 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoel in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet) en heeft vervoerd 18.393,88 gram MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie de meewerkende proceshouding van de verdachte in diens voordeel meegewogen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de geëiste gevangenisstraf te matigen en nog meer rekening te houden met de proceshouding van de verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) uitvoer naar het buitenland van een grote hoeveelheid MDMA en amfetamine. De verdachte heeft deze harddrugs via een pakketpunt in een postpakket met kattenvoer naar Maleisië verstuurd, waarop dit pakket vervolgens is onderschept door de douane. Deze handeling van de verdachte die tot doel heeft harddrugs op de markt te brengen, is een ernstig feit en dient zwaar te worden bestraft. Door de uitvoer van harddrugs naar het buitenland wordt de internationale handel in verdovende middelen in stand gehouden. Het gebruik van harddrugs is zeer verslavend en schadelijk voor de volksgezondheid. Daar draagt de verdachte met zijn handelen aan bij. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van zware en ondermijnende criminaliteit. Het is ernstig dat de verdachte zich kennelijk om al deze omstandigheden niet heeft bekommerd en slechts heeft gehandeld uit oogpunt van eigen financieel gewin en om zijn verslaving te kunnen bekostigen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 november 2024. De laatste veroordeling voor een Opiumwetfeit was in 1999, wegens handel in heroïne/cocaïne. Daarnaast is de verdachte in 2010 in Colombia voor een soortgelijk strafbaar feit tot een lange gevangenisstraf veroordeeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 15 november 2024. Er geen sprake van een actueel delictpatroon. De voornaamste criminogene factor is het harddrugsgebruik van de verdachte en de daaruit voortkomende financiële problemen. Nagenoeg alle leefgebieden dragen bij aan het recidiverisico en/of houden dit in stand. De reclassering schat de kans op recidive in als gemiddeld. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan middelencontrole.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor de uitvoer van harddrugs naar het buitenland vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 tot 60 maanden uitgaande van 10 tot 20 kilogram harddrugs.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht zij de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal de verdachte dan ook veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen aan de orde komen in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
4(
VIER)
JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.B. Haverhoek, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. N.S.M. Lubbe, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2024.