Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 24 augustus 2024 een asielaanvraag in die op 27 september 2024 door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 6 november 2024 en oordeelde dat de minister de afwijzing onvoldoende zorgvuldig had voorbereid.
De minister achtte eisers verklaringen over problemen met drugshandelaren niet geloofwaardig en baseerde daarop de afwijzing. Eiser stelde dat zijn gemachtigde niet volledig werd geïnformeerd over de procedure en dat hij onvoldoende rechtsbijstand en voorlichting ontving. De rechtbank constateerde dat het advocatendossier onvolledig was en dat eiser onvoldoende werd voorbereid op het nader gehoor.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen medisch onderzoek nodig achtte en dat het horen via video in Rotterdam gerechtvaardigd was vanwege agressief gedrag van eiser. Echter, het feit dat eiser tijdens het gehoor duidelijk maakte niet met zijn gemachtigde te hebben gesproken, had moeten leiden tot schorsing en gelegenheid tot overleg. Dit nalaten maakte het besluit onzorgvuldig.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij een nieuw nader gehoor met adequate voorbereiding moet plaatsvinden. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.750,- aan eiser.