ECLI:NL:RBDHA:2024:20549
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verlenging uiterste overdrachtsdatum naar Bulgarije wegens onderduiken afgewezen
Eisers, minderjarige kinderen van een moeder die met drie van haar kinderen ondergedoken is, maakten bezwaar tegen de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum naar Bulgarije. De minister verlengde deze termijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege het onderduiken van de moeder en haar drie kinderen. Eisers zelf verblijven nog in het AZC bij hun vader, die een verblijfsstatus in Bulgarije heeft.
De rechtbank oordeelde dat de situatie van de minderjarige kinderen onlosmakelijk verbonden is met die van hun moeder, zoals bepaald in artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening. Dat eisers niet met onbekende bestemming zijn vertrokken, maakt dit niet anders. De minister heeft toegezegd dat eisers niet zonder ouder in het AZC zullen achterblijven en ook niet zonder een van hun ouders zullen worden overgedragen.
Het beroep is ongegrond verklaard omdat het besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank bevestigt dat de verlenging van de overdrachtstermijn terecht is gegeven vanwege het onderduiken van de moeder en drie kinderen. Eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum naar Bulgarije wordt ongegrond verklaard.