ECLI:NL:RBDHA:2024:20597
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Oostenrijkse verantwoordelijkheid
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld, waarbij eiser en de gemachtigde van de minister niet verschenen waren.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van de minister zorgvuldig tot stand is gekomen. Het standaardvoornemen was een voorbereidingshandeling en eiser heeft de mogelijkheid gehad om te reageren. De minister heeft in het besluit adequaat ingegaan op de relevante elementen, waaronder de zienswijze van eiser en zijn verklaringen tijdens het aanmeldgehoor.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt vanwege tekortkomingen in de Oostenrijkse asielprocedure en opvang, en dat hij vreest geen opvang te krijgen bij terugkeer. De rechtbank stelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook heeft eiser een lopende asielprocedure in Oostenrijk, waardoor een herhaalde aanvraag niet aan de orde is.
Verder betoogde eiser dat de minister de aanvraag aan zich had moeten trekken vanwege zijn gezinssituatie met een vrouw en pasgeboren dochter in Nederland. De rechtbank vond dat eiser deze relatie niet aannemelijk had gemaakt en dat de minister daarom geen aanleiding had om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.