ECLI:NL:RBDHA:2024:20675
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen ongegrondverklaring beroep in Dublinprocedure afgewezen
Opposant heeft op 11 april 2024 asiel aangevraagd in Nederland. De Minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Opposant stelde beroep in, dat op 9 oktober 2024 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde opposant verzet in, stellende dat hij niet aan Duitsland was overgedragen en dat de rechtbank hem op een zitting had moeten horen.
De rechtbank overwoog dat het niet houden van een zitting gerechtvaardigd was omdat opposant zijn bezwaren in het beroepschrift had kunnen en moeten toelichten. De rechtbank achtte de stukken waaruit blijkt dat opposant op 22 december 2023 aan Duitsland was overgedragen overtuigend. De aangevoerde nieuwe stukken en argumenten in het verzet konden het oordeel niet doen wijzigen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder zitting en verklaarde het verzet ongegrond. De bestreden uitspraak blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de ongegrondverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak blijft in stand.