ECLI:NL:RBDHA:2024:20738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2024
Publicatiedatum
11 december 2024
Zaaknummer
NL24.32501
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht bij aanvraag verklaring inschrijving EU-burger

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verklaring van inschrijving voor burgers van de Unie kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.

De griffier heeft eiseres meerdere malen herinnerd aan de betaling van het griffierecht, waaronder een aangetekende brief die niet is afgehaald. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet is betaald en dat er geen omstandigheden zijn die het verzuim van eiseres rechtvaardigen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Eiseres wordt gewezen op de mogelijkheid van verzet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32501

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verklaring van inschrijving voor burgers van de Unie kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft hiertegen op 17 augustus 2024 beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. [1]

Overwegingen

1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. [2]
2. De griffier stelt een termijn voor betaling van het griffierecht. Als binnen deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [3]
3. Bij aangetekende brief van 19 september 2024 – verstuurd naar het door de gemachtigde van eiseres opgegeven adres – is eiseres er door het LDCR [4] aan herinnerd dat zij nog niet heeft voldaan aan het verzoek het griffierecht te betalen. Verder is meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken dient te zijn overgemaakt. Eiseres is er in die brief tevens op gewezen dat zij bij niet (tijdige) betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4. Op 22 oktober 2024 heeft het LDCR de verzonden herinneringsnota retour ontvangen. Uit de informatie van PostNL blijkt dat de brief niet is afgehaald bij het PostNL-punt. De rechtbank mag er in beginsel van uitgaan dat de gemachtigde van eiseres een afhaalbericht van deze aangetekende brief heeft ontvangen. Het niet afhalen van een aan haar geadresseerd aangetekend poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiseres komt.
5. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Verder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres in verzuim is geweest. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2024 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb.
3.Op grond van artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, van de Awb.
4.Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.