Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, met Portugese nationaliteit en sinds 1988 houder van een verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd, verzocht om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot beëindiging van zijn verblijfsrecht, oplegging van een terugkeerbesluit, ongewenstverklaring en intrekking van zijn verblijfsvergunning. Verzoeker stelde dat hij duurzaam verblijfsrecht had opgebouwd en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met onvoldoende afweging van zijn persoonlijke omstandigheden en artikel 8 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de periode in detentie niet meetelt voor het duurzaam verblijfsrecht en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij langer dan tien jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef. Het strafrechtelijk verleden van verzoeker, met meerdere veroordelingen en een ISD-maatregel, vormde een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde.
Verweerder had voldoende gemotiveerd dat geen positieve gedragsverandering was opgetreden en dat de bijzondere voorwaarden niet hadden geleid tot gedragsverbetering. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro was niet overtuigend onderbouwd door verzoeker. Het bezwaar had geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit niet worden opgeschort, dat verzoeker het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak werd gedaan op 8 oktober 2024 door voorzieningenrechter M.M. Meijers.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging verblijfsrecht en intrekking verblijfsvergunning wordt afgewezen.