Eiser, een man van Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege zijn homoseksualiteit en afvalligheid van de islam. Hij stelde dat hij in Gambia vervolging en zelfs moord door familieleden vreest vanwege zijn seksuele gerichtheid. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid en de omstandigheden daaromtrent.
De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat de minister terecht rekening hield met het referentiekader van eiser en de werkinstructies WI2019/17 en WI2014/10 toepaste. De verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid, relaties en acceptatie daarvan waren tegenstrijdig, summier en onlogisch. Ook zijn contacten met LHBTI-groepen en kennis van de Nederlandse situatie werden als onvoldoende geloofwaardig beoordeeld.
De minister achtte de afvalligheid van eiser geloofwaardig, maar stelde vast dat Gambia constitutionele bescherming biedt tegen discriminatie op religieuze gronden, zodat eiser bescherming kan inroepen bij problemen. De rechtbank volgde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.