ECLI:NL:RBDHA:2024:20864
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublin wegens onderduiken
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening te verlengen vanwege haar onderduiken. Eerder werd een verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen, waarna eiseres op 9 oktober 2024 aan Duitse autoriteiten werd overgedragen.
De rechtbank beoordeelde de rechtmatigheid van de verlenging en stelde vast dat eiseres op 6 augustus 2024 op de hoogte was gesteld van haar geplande overdracht en dat zij zonder bericht niet is verschenen bij een gesprek met de Dienst Terugkeer en Vertrek. Op de dag van de geplande overdracht werd zij als met onbekende bestemming vertrokken gemeld (MOB-melding).
Eiseres verklaarde dat zij het gesprek op 6 augustus niet goed begreep en dat haar gemachtigde afzegde voor het gesprek op 12 augustus, waardoor zij niet verscheen. De rechtbank vond geen bewijs dat de MOB-melding onjuist was of dat de verlenging van de overdrachtstermijn onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor Duitsland verantwoordelijk blijft voor de behandeling van de asielaanvraag en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Duitsland blijft rechtmatig.