ECLI:NL:RBDHA:2024:20896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortzetting vrijheidsontnemende maatregel in detentiecentrum
Verweerder legde op 30 oktober 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan eiseres op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 16 november 2024 besloot verweerder deze maatregel voort te zetten in een detentiecentrum te [plaatsnaam]. Eiseres stelde hiertegen beroep in, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel vanaf 15 november 2024, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. De gronden van eiseres betroffen onder meer de ongeschiktheid van het detentiecentrum en het ontbreken van motivatie voor de overplaatsing, terwijl de asielaanvraag inmiddels was afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat het detentiecentrum te [plaatsnaam] een geschikte locatie is, mede vanwege de gezinsvriendelijke faciliteiten. De afwijzing van de asielaanvraag en de overplaatsing brengen geen verandering in het eerdere oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig bezwarend is en dat minder dwingende maatregelen niet doeltreffend waren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.