ECLI:NL:RBDHA:2024:20916
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit met hoofdzaak
Verzoeker heeft op 3 december 2024 een spoedverzoek ingediend voor een voorlopige voorziening om tijdens een opvolgende aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in het AZC Hoogeveen te mogen verblijven. Dit verzoek is ingegeven door een dreigende plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) en de medische noodzaak van verzoeker, die afhankelijk is van psychiatrische zorg en behandeling voor hart- en vaatziekten en rugklachten.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om de gronden van het verzoek nader toe te lichten en aan te geven wat de bodemzaak is. Verzoeker heeft een brief ingediend waarin wordt gesteld dat het verzoek zich richt tegen de stopzetting van verblijf en opvang, mede vanwege medische behandeling. De minister heeft gereageerd dat er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure is en dat er geen sprake is van een besluit tot plaatsing in een VBL. Ook is er volgens de minister geen spoedeisend belang.
Uit een brief van het COA van 11 december 2024 blijkt dat het verblijf op grond van artikel 64 Vw Pro 2000 is beëindigd per 1 november 2024 en dat verstrekkingen op 19 december 2024 worden beëindigd. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen bezwaar- of beroepsprocedure is ingediend tegen deze besluiten en dat de ingediende aanvragen geen hoofdzaak vormen zoals vereist in artikel 8:81 Awb Pro.
Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit met een hoofdzaak. Het verzoek kan niet in behandeling worden genomen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit met een hoofdzaak.