Eiser, een Oezbeekse staatsburger, diende op 17 september 2024 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij uit Oezbekistan was vertrokken vanwege bedreigingen en mishandeling door een voormalige zakenpartner. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser tegenstrijdige verklaringen gaf, tweemaal terugkeerde naar zijn land van herkomst en niet onmiddellijk asiel aanvroeg na aankomst in Nederland.
Eiser voerde aan dat hij de Russische tolk niet goed begreep en dat hij niet eerder asiel aanvroeg vanwege taalbarrières en onwetendheid over het aanvraagproces. Tijdens de zitting liet eiser de klacht over de Russische tolk vallen en erkende dat dit zijn verklaringen niet ernstig belemmerde. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog vreest voor zijn veiligheid in Oezbekistan.
Verder oordeelde de rechtbank dat het niet tijdig melden bij de eerste beschikbare autoriteiten in Europa niet gerechtvaardigd was, mede omdat eiser eerder toegang had tot juridische bijstand. De rechtbank bevestigde de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond en verklaarde het beroep ongegrond.