ECLI:NL:RBDHA:2024:20947

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2024
Publicatiedatum
13 december 2024
Zaaknummer
NL24.39246
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 VwArt. 30b lid 1 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid en niet tijdig melden

Eiser, een Oezbeekse staatsburger, diende op 17 september 2024 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij uit Oezbekistan was vertrokken vanwege bedreigingen en mishandeling door een voormalige zakenpartner. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser tegenstrijdige verklaringen gaf, tweemaal terugkeerde naar zijn land van herkomst en niet onmiddellijk asiel aanvroeg na aankomst in Nederland.

Eiser voerde aan dat hij de Russische tolk niet goed begreep en dat hij niet eerder asiel aanvroeg vanwege taalbarrières en onwetendheid over het aanvraagproces. Tijdens de zitting liet eiser de klacht over de Russische tolk vallen en erkende dat dit zijn verklaringen niet ernstig belemmerde. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog vreest voor zijn veiligheid in Oezbekistan.

Verder oordeelde de rechtbank dat het niet tijdig melden bij de eerste beschikbare autoriteiten in Europa niet gerechtvaardigd was, mede omdat eiser eerder toegang had tot juridische bijstand. De rechtbank bevestigde de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39246

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. W. Epema).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1966 en heeft de Oezbeekse nationaliteit. Hij heeft op 17 september 2024 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Hij was eigenaar van een banketfabriek en vermogend in Oezbekistan. In 2012 is eiser een samenwerking aangegaan met een zakenpartner, die hem later heeft bedreigd, mishandeld en zijn fabriek heeft geconfisqueerd. De politie heeft niet ingegrepen. De problemen met eisers toenmalige zakenpartner duren nog voort, waardoor hij vreest voor zijn leven bij terugkeer.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht de problemen van eiser vanwege zijn bedrijf en de hieruit voortvloeiende vrees bij terugkeer niet geloofwaardig. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard in zijn gehoren. Daarnaast heeft eiser verklaard tot tweemaal toe terug te zijn gekeerd naar zijn land van herkomst waar hij stelt te vrezen te hebben.. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen en hij na zijn aankomst in Nederland in 2021 niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd.
4. Eiser voert daartegen dat het aanmeldgehoor en nader gehoor onzorgvuldig zijn afgenomen, omdat daarbij gebruik is gemaakt van een Russische tolk. Eiser had moeten worden gehoord in de Oezbeekse taal, met name bij de bespreking van zijn asielrelaas. Verder meent eiser dat er wel degelijk aanleiding bestaat om aan hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen. De omstandigheden met zijn voormalige zakenpartner duren nog voort, waardoor eiser vreest voor zijn leven bij terugkeer naar Oezbekistan. Niet kan worden geconcludeerd dat eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. Hij kan zich daarom niet met het bestreden besluit verenigen. Verder heeft eiser niet eerder een asielaanvraag ingediend in Nederland, omdat hij niet wist waar hij een asielaanvraag kon indienen en zijn taalkennis een obstakel hiertoe vormde. Voorts zag eiser de noodzaak niet om bescherming te zoeken, omdat hij zich in Nederland veilig voelde.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Ten aanzien van de omvang van het geschil overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond dat sprake is van onzorgvuldigheid omdat tijdens de gehoren gebruik is gemaakt van een Russische tolk laten vallen. Volgens eiser was hij door het gebruik van een Russische tolk enigszins beperkt in zijn mogelijkheid om te verklaren, maar niet zodanig dat er sprake is van onzorgvuldigheid. Ook heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat het beroep niet gericht is tegen het terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit is namelijk in 2021 aan eiser uitgereikt en in 2022 onherroepelijk geworden. [2] De beroepsgronden worden daarom niet nader beoordeeld.
6. Verweerder heeft kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog te vrezen heeft voor zijn voormalige zakenpartner. Verweerder wijst er terecht op dat eiser niet meer weet wat de achternaam van zijn voormalige zakenpartner is, maar wel enige tijd met hem heeft samengewerkt. Hierbij wordt van belang geacht dat eiser tot twee keer toe terug is gekeerd naar Oezbekistan, wat op zichzelf ook afbreuk doet aan de gestelde vrees bij terugkeer. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn asielrelaas. Ook heeft eiser niet nader geconcretiseerd of met documenten onderbouwd dat hij hulp heeft gezocht bij de autoriteiten aldaar of dat de politie heeft nagelaten hem te helpen. Verweerder heeft gelet op het voorgaande niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft vanwege zijn bedrijf en hierdoor voor zijn leven vreest bij terugkeer.
7. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat het in de lijn der verwachting ligt dat eiser zich zo spoedig mogelijk meldt bij de eerste beschikbare autoriteiten van een Europese lidstaat met het verzoek om bescherming. Nu eiser zich pas na drie jaar heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag, heeft hij zich niet zo spoedig mogelijk gemeld. Dat eiser niet wist hoe en waar hij zich diende te melden, heeft verweerder niet hoeven volgen. Eiser heeft immers in 2021 eerder toegang gehad tot een raadsman, in het kader van het destijds opgelegde terugkeerbesluit, bij wie hij informatie had kunnen inwinnen over het indienen van een verzoek om internationale bescherming. Dat eiser zich naar eigen zeggen veilig genoeg voelde in Nederland en daarom geen bescherming heeft gezocht, vormt verder onvoldoende rechtvaardiging om te concluderen dat niet aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij zich niet onmiddellijk heeft gemeld. Verweerder heeft gelet daarop terecht artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw aan het besluit ten grondslag gelegd. Deze grondslag kan het standpunt van verweerder dat sprake is van kennelijke ongegrondheid reeds op zichzelf dragen. Gelet hierop behoeft hetgeen eiser heeft aangevoerd over de tegenwerping van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw, als grondslag voor de kennelijke ongegrondheid, geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eisers asielaanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 december 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens
bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag
waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid jo artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 28 februari 2022, ECLI:NLRBROT:2022:2684.