Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft dit verzoek niet in behandeling genomen omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 12 november 2024, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren.
Bij uitspraak van de bodemzaak (zaaknummer NL24.41497) is de inhoudelijke beslissing genomen, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Wel veroordeelde de voorzieningenrechter de minister tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.