ECLI:NL:RBDHA:2024:2101

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
NL23.39555
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser werd op 8 december 2023 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de bewaring en stelde dat de overbrenging naar het Detentiecentrum Rotterdam te lang had geduurd, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn.

De rechtbank overwoog dat een korte plaatsing in een politiecel is toegestaan om vervoer naar een gespecialiseerde inrichting te regelen, mits dit niet langer dan 24 uur duurt. Uit het dossier bleek dat eiser op 8 december 2023 om 18:30 uur in bewaring werd gesteld en op 9 december 2023 om 00:09 uur in het detentiecentrum werd ingecheckt, waardoor de termijn van 24 uur niet werd overschreden.

Verder waren de gronden voor de bewaring, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en een mogelijke overdracht aan Duitsland op grond van de Dublinverordening, voldoende gemotiveerd en niet door eiser betwist. De rechtbank concludeerde dat de bewaring te allen tijde rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.39555
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. V. Senczuk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F. van de Kamp).

Inleiding

Op 8 december 2023 heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring (bewaring) gesteld, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 20 december 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 december 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig was.

Overwegingen

Eiser stelt dat hij de Afghaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1997.
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De overbrenging
3. Eiser betoogt dat de overbrenging te lang heeft geduurd. Volgens hem heeft verweerder hem op 8 december 2023 in bewaring gesteld in een politiecel in Rotterdam. Pas op 9 december 2023 is hij overgebracht naar het Detentiecentrum Rotterdam (DCR). Eiser stelt primair dat verweerder hem in de avonduren van 8 december 2023 had moeten overbrengen naar het DCR. Subsidiair meent hij dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de 24-uurstermijn is overschreden. Volgens eiser is de bewaring daarom onrechtmatig.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 november 20221 volgt onder andere dat een vreemdeling een korte periode in een politiecel mag worden geplaatst om het vervoer naar en de plaatsing in een gespecialiseerde inrichting te regelen. Wanneer dat lang duurt, bijvoorbeeld langer dan 24 uur, moet verweerder dit tijdsverloop motiveren. In het geval van eiser is de maatregel van bewaring opgelegd op 8 december 2023 om 18:30 uur. De gemachtigde van verweerder heeft op 26 december 2023 een nader stuk aan het dossier toevoegd. Hieruit blijkt dat eiser op 9 december 2023 om 00:09 uur is ingecheckt in het DCR. Eiser heeft dus niet langer dan 24 uur in de politiecel verbleven en heeft daar ook niet hoeven overnachten. De overbrenging heeft niet te lang geduurd. De beroepsgrond slaagt niet.

De gronden van de maatregel van bewaring

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht aan Duitsland als bedoeld in de Dublinverordening. Verder bestond er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Conclusie
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 januari 2024

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.