Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
asielmotief heeft, namelijk uw seksuele gerichtheid.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft op 9 november 2021 een asielaanvraag ingediend die door de minister op 7 november 2024 voor de tweede keer als kennelijk ongegrond is afgewezen. De rechtbank had eerder het beroep van eiser gegrond verklaard omdat het referentiekader onvoldoende was betrokken, waarna de minister een nieuw besluit nam.
In het nieuwe besluit heeft de minister een gedetailleerd referentiekader opgesteld op basis van eisers eigen verklaringen, waaronder zijn afkomst, opleidingsniveau, verblijfsduur in Europa en LHBTI-achtergrond. De rechtbank stelt vast dat dit referentiekader zorgvuldig is betrokken en toegepast bij de beoordeling van het asielrelaas.
De minister acht de biseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig, mede omdat eiser geen overtuigende kennis van de LHBTI-gemeenschap in Europa toont ondanks langdurig verblijf en eerdere asielprocedures. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat het relaas niet aannemelijk is en wijst het beroep af.
Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak is gedaan door rechter S. Ketelaars - Mast en griffier J. Dijkstra.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wegens ongeloofwaardige biseksuele gerichtheid.