ECLI:NL:RBDHA:2024:21054
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet
De zaak betreft een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan eiser op 5 november 2024 bij aankomst op Schiphol, op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.
De rechtbank heeft het schriftelijk onderzoek gesloten op 6 december 2024. Eiser stelde onder meer dat het dossier geen aanwijzingen bevatte op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en dat het verblijf in de luchthavenlounge langer dan 24 uur zou zijn geweest, wat niet is toegestaan.
De rechtbank overweegt dat eiser op dezelfde dag van aankomst asiel heeft aangevraagd en de maatregel is opgelegd, zodat een aanwijzing op grond van artikel 4.6 Vb niet noodzakelijk was. Er is geen bewijs dat eiser langer dan 24 uur in de lounge verbleef. De maatregel is niet onrechtmatig bevonden.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.