ECLI:NL:RBDHA:2024:2106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
NL23.38123
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:41 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit niet-ontvankelijk wegens te late indiening

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 5 oktober 2022 een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld op 27 november 2023, ruim na de wettelijke termijn van vier weken die geldt volgens artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het terugkeerbesluit op 5 oktober 2022 aan eiser persoonlijk is uitgereikt en daarmee conform artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekendgemaakt. De beroepstermijn van vier weken is daarom op 6 oktober 2022 aangevangen. Het beroep is echter pas op 27 november 2023 ingediend, wat niet tijdig is volgens artikel 6:9 Awb Pro.

Er is geen verschoonbare reden voor deze termijnoverschrijding gebleken. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak is mondeling gedaan op 13 februari 2024 in Arnhem door rechter A. de Gooijer. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38123
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2024 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Procesverloop

1. Bij besluit van 5 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld op 27 november 2023.
1.2.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift op 25 januari 2024.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.4.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het beroep tegen het inreisverbod ontvankelijk is. In dit geval bedraagt de termijn om tegen het bestreden besluit beroep in te dienen, gelet op artikel 69, eerste lid Vreemdelingenwet 2000, namelijk vier weken. Dit roept de vraag op of het beroep tijdig is ingediend.
Is dit niet het geval, dan dient de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk te verklaren, behalve als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest.
4.1.
Het terugkeerbesluit is opgelegd bij besluit van 5 oktober 2022. Uit het proces-verbaal van bevindingen voornemenprocedure inreisverbod blijkt dat het terugkeerbesluit op 5 oktober aan eiser in persoon is uitgereikt. Daarin staat tevens vermeld dat dit ook in het Spaans kenbaar is gemaakt. Dit proces-verbaal is op ambtsbelofte opgemaakt.
4.2.
Nu uit de stukken in het dossier blijkt dat het bestreden besluit op 5 oktober 2022 aan eiser in persoon is uitgereikt, is het besluit conform artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan eiser bekendgemaakt. De wettelijke beroepstermijn van vier weken is, gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aangevangen op 6 oktober 2022, de dag na de bekendmaking. De rechtbank stelt vast dat het beroep op 4 december 2023 is ingediend, waardoor dit gelet op artikel 6:9 van Pro de Awb niet tijdig is ingediend. Er is niet gebleken van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2024 door mr. A. de Gooijer, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kloppers, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.