ECLI:NL:RBDHA:2024:21215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
NL24.39116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning humanitair-niet tijdelijk

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel 'humanitair-niet tijdelijk'. De minister heeft deze aanvraag op 9 september 2024 afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van het besluit totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter beoordeelde dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening omdat zij het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening.

Daarom heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen, waardoor het besluit van 9 september 2024 wordt geschorst en verzoekster niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht aan verzoekster.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is in het openbaar bekendgemaakt op 6 december 2024. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt geschorst en verzoekster niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39116

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2024 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer [nummer], verzoekster

Mede namens haar minderjarige kinderen
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het beroep tegen het besluit van 9 september 2024, waarin de minister de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel “humanitair-niet tijdelijk” heeft afgewezen.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht de werking van het besluit te schorsen totdat is beslist op het bezwaar.
1.2.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3]
3. De minister heeft in het besluit van 9 september 2024 aan verzoekster meegedeeld dat zij de behandeling van haar bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verzoekster heeft daarom spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
4. Het verzoek strekt ertoe te bepalen dat verzoekster gedurende de behandeling van het bezwaar Nederland niet hoeft te verlaten. De griffier heeft de minister in het bericht van 24 oktober 2024 verzocht om binnen twee weken mee te delen of hij zich verzet tegen toewijzing van het verzoek. De minister heeft in het bericht van 8 november 2024 laten weten zich niet te verzetten tegen een toewijzing van een voorlopige voorziening. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat het besluit van 9 september 2024 wordt geschorst en verzoekster niet mag worden uitgezet totdat er op het bezwaar is beslist.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 9 september 2024 wordt geschorst en verzoekster niet mag worden uitgezet totdat er op het bezwaar is beslist.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 875 omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Ook moet de minister het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 9 september 2024 wordt geschorst en dat de uitzetting van verzoekster achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 875 aan proceskosten van verzoekster;
  • bepaalt dat de minister het door verzoekster betaalde griffierecht van € 184 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van M. Kok, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
3.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.