Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Overwegingen
Conclusie en gevolgen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 27 maart 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam zijn aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, omdat volgens de Dublinverordening Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling. Zweden had het verzoek tot terugname geaccepteerd.
Eiser voerde aan dat het besluit onbevoegd was genomen door de staatssecretaris in plaats van de minister, en dat de overdracht aan Zweden onevenredige hardheid opleverde vanwege gezinsherenigingsproblemen en familiebanden in Nederland. De rechtbank stelde vast dat het besluit inderdaad ten onrechte door de staatssecretaris was genomen, maar dat dit gebrek kon worden gepasseerd omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen was geschaad.
De rechtbank oordeelde verder dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op de Dublinverordening rechtvaardigen, zoals bedoeld in artikel 17. De zorgen van eiser over gezinshereniging en familiebanden in Nederland zijn begrijpelijk, maar vormen geen grond voor het aan zich trekken van de aanvraag door Nederland.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van een deel van de proceskosten wegens het formele gebrek in het besluit.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag werd ongegrond verklaard.