ECLI:NL:RBDHA:2024:21399
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep machtiging voorlopig verblijf
Verzoeker heeft op 21 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel familie en gezin. Verweerder heeft op 4 november 2024 alsnog een inwilligend besluit genomen, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank overweegt dat de ingebrekestelling van verzoeker op 2 oktober 2024 prematuur was, aangezien de beslistermijn door verweerder op 11 juli 2024 met drie maanden was verlengd tot uiterlijk 18 december 2024. Hierdoor was het beroep niet ontvankelijk.
Omdat het beroep niet ontvankelijk was, is er geen sprake van een situatie waarin verweerder geheel of gedeeltelijk aan het beroep tegemoet is gekomen in de zin van artikel 8:75a Awb. Het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
De rechtbank beslist dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht niet hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting door rechter R.J.A. Schaaf.
Uitkomst: Het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens een prematuur ingediend beroep en niet-ontvankelijkheid.