ECLI:NL:RBDHA:2024:21444

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2024
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
NL24.47635, NL24.47636, NL24.47637 en NL24.47638
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De rechtbank Den Haag behandelde de beroepen van een Iraans gezin tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgeheven vanwege uitzetting naar Frankrijk, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of recht bestond op schadevergoeding.

De minister had de bewaring gemotiveerd met een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht. De rechtbank achtte de niet betwiste gronden voldoende voor de bewaring en verwierp de door eisers aangevoerde verzwaarde belangenafweging, mede omdat het gezin zich gedurende langere tijd aan toezicht had onttrokken en niet vrijwillig meewerkte aan vertrek.

Ook het verweer dat een lichter middel had moeten worden toegepast, werd afgewezen omdat de minister voldoende had gemotiveerd dat een meldplicht of plaatsing in een vertrekcentrum onvoldoende was om het vertrek af te dwingen. De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de bewaring niet onrechtmatig was geweest. De beroepen werden ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.47635, NL24.47636, NL24.47637 en NL24.47638
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2] ,
mede namens hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
V-nummers: [V nummer 1] , [V nummer 2] , [V nummer 3] en [V nummer 4] , eisers
(gemachtigde: mr. B.A. Palm), en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluiten van 25 november 2024 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 2 december 2024 de maatregelen van bewaring opgeheven in verband met de uitzetting van eisers naar Frankrijk.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 december 2024 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen allen van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1962, respectievelijk [geboortedatum 2] 1978, [geboortedatum 3] 2007 en [geboortedatum 4] 2018.
2. Omdat de bewaringen zijn opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaken tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffingen daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de
behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
4. In de maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregelen nodig waren, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eisers:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen hebben onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoeken;
en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
5. Eisers betwisten de zware gronden onder 3a en 3b. De rechtbank is van oordeel dat de niet betwiste zware grond onder 3k en de niet betwiste lichte gronden onder 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregelen van bewaring al dragen, omdat hieruit een significant risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eisers betwiste gronden om die reden verder onbesproken.
Verzwaarde belangenafweging
6. Eisers stellen dat een verzwaarde belangenafweging had moeten plaatsvinden. Eisers voeren hiertoe aan dat zij zich, buiten een korte periode van twee dagen waarin zij met reden met onbekende stemming (MOB) zijn vertrokken, nooit aan het toezicht op vreemdelingen hebben onttrokken. Ook is de maatregel van bewaring een erg belastend traject voor de minderjarige kinderen.
7. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die eisers aanvoeren in het kader van de verzwaarde belangenafweging geen aanleiding zijn om de bewaringen op te heffen. De minister heeft een verzwaarde belangenafweging in de maatregelen van bewaring gemaakt, waarin de onttrekking aan het toezicht en de belastendheid van het traject van bewaring voor de minderjarige kinderen is meegewogen, evenals de medische situatie van eisers. Anders dan eisers stellen blijkt uit de stukken niet dat zij slechts twee dagen MOB zijn geweest. Eisers zijn MOB vertrokken op 24 oktober 2024 en hebben zich pas op 5 november 2024 weer in Ter Apel gemeld. Dat eisers, naar zij stellen, een briefje in hun bagage hadden achtergelaten met een toelichting op hun vertrek, maakt het vorenstaande niet anders. Verder heeft de moeder in het vertrekgesprek van 28 augustus 2024 aangegeven dat eisers absoluut niet terug willen naar Frankrijk en er alles aan zullen doen om in Nederland te blijven, wat er niet op duidt dat eisers vrijwillig meewerken aan hun vertrek. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
9. Eisers stellen nog dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. De minister had eisers in een vertrekcentrum kunnen plaatsen en een meldplicht kunnen opleggen.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregelen en de motiveringen daarvan blijkt al dat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarbij zou een meldplicht niet leiden tot daadwerkelijk vertrek van eisers, mede gezien de hiervoor uitgehaalde uitspraak van de moeder in het vertrekgesprek. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor proceskostenveroordelingen bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 december 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.