Eiser is geconfronteerd met een inreisverbod van twee jaar, opgelegd door de minister van Asiel en Migratie wegens het niet binnen de gestelde termijn terugkeren naar Suriname. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en aangevoerd dat hij in België een gecombineerde vergunning heeft verkregen en een arbeidscontract heeft getekend.
De rechtbank heeft vastgesteld dat deze omstandigheden niet kenbaar waren ten tijde van het opleggen van het terugkeer- en inreisverbod, en dat eiser geen zienswijze heeft ingediend tijdens het voornemen tot oplegging van het inreisverbod. Hierdoor kon verweerder bij het besluit geen rekening houden met deze feiten.
Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan een inreisverbod worden opgelegd tenzij er humanitaire of andere bijzondere redenen zijn om hiervan af te zien. De rechtbank concludeert dat eiser geen dergelijke bijzondere omstandigheden heeft aangetoond.
Daarom blijft het inreisverbod van twee jaar gehandhaafd en wordt het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.