ECLI:NL:RBDHA:2024:21526

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
NL24.48801
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid VreemdelingenbesluitArt. 5.1b vierde lid VreemdelingenbesluitVerordening (EU) 604/2013Art. 28 derde lid Dublinverordening
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, is op 4 december 2024 de maatregel van bewaring opgelegd vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. De gronden voor de bewaring zijn niet betwist en worden door de rechtbank als feitelijk juist en voldoende toegelicht beschouwd.

Eiser uitte zorgen over de voortvarendheid van de overdracht naar Zwitserland, aangezien de geplande overdracht op 19 december 2024 werd geannuleerd zonder nadere toelichting. Verweerder gaf aan dat de Zwitserse autoriteiten de overdracht annuleerden vanwege capaciteitsgebrek, maar een nieuwe vlucht is gepland op 6 januari 2025. De rechtbank acht dit voldoende gemotiveerd en concludeert dat verweerder niet verwijtbaar is voor de annulering.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 6 december 2024 een terugnameverzoek heeft ingediend en op dezelfde dag een vertrekgesprek met eiser voerde. De Zwitserse autoriteiten gingen op 11 december akkoord met de overdracht en een vlucht werd geboekt. De termijn van zes weken voor overdracht wordt met de nieuwe datum niet overschreden. De maatregel van bewaring is te allen tijde rechtmatig gebleven.

Gelet op deze omstandigheden verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48801

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 in Breda op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2005.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet betwist. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat sprake is van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
4. Eiser vraagt zich af of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser naar Zwitserland. De overdracht die op 19 december 2024 gepland stond is geannuleerd en er is niet toegelicht wat de reden hiervoor is.
5. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat de overdracht is geannuleerd door de Zwitserse autoriteiten, vanwege een gebrek aan capaciteit en dat een nieuwe vlucht gepland staat op 6 januari 2025.
6. Uit het dossier volgt dat op 6 december 2024 een terugnameverzoek is ingediend bij de Zwitserse autoriteiten en dat verweerder op diezelfde dag een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Op 11 december 2024 zijn de Zwitserse autoriteiten akkoord gegaan met de overdracht en vervolgens is voor eiser een vlucht geboekt die zou vertrekken op 19 december 2024. De rechtbank acht voldoende gemotiveerd dat het niet aan verweerder te wijten is dat de vlucht op 19 december 2024 geen doorgang zal vinden. Verder acht de rechtbank voldoende gemotiveerd dat er een nieuwe vlucht gepland is met als vertrekdatum 6 januari 2025. Daarnaast heeft verweerder, gelet op artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening [3] een termijn van zes weken om de overdracht te realiseren. Deze termijn wordt met de nieuwe vertrekdatum niet overschreden. Bij een overdracht is verweerder bovendien afhankelijk van de medewerking van de Zwitserse autoriteiten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld.
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.Verordening (EU) 604/2013.