De zaak betreft een geschil tussen broers over de verdeling van de nalatenschap van hun moeder, die op 7 december 2023 is overleden. Eiser stelt dat gedaagde onrechtmatige onttrekkingen heeft gedaan aan het vermogen van de erflaatster, terwijl gedaagde dit betwist en stelt dat het om schenkingen gaat. De rechtbank onderzoekt eerst of de nalatenschap conform wettelijke voorschriften is vereffend en of tot verdeling kan worden overgegaan.
De rechtbank oordeelt dat de nalatenschap nog niet volledig is vereffend, maar dat voldoende positieve bestanddelen aanwezig zijn om tot een partiële verdeling over te gaan, waarbij € 20.000,- op de ervenrekening blijft voor schuldeisers. De rechtbank beoordeelt vervolgens de overboekingen van erflaatster naar gedaagde voor en na overlijden. Voor de betalingen vóór overlijden stelt de rechtbank vast dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat erflaatster wilsonbekwaam was en dat de betalingen onrechtmatig waren. Voor de betalingen na overlijden is vastgesteld dat deze zonder titel zijn verricht, waardoor de nalatenschap een vordering op gedaagde heeft.
Verder heeft gedaagde aantoonbaar schulden van de nalatenschap voldaan voor een bedrag van € 17.347,69, mogelijk te vermeerderen met € 1.093,-. De banksaldi worden vastgesteld op € 256.859,45, waarvan na reservering voor schuldeisers en verrekening van schulden het resterende bedrag bij helfte wordt verdeeld. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.