Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:21551

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
C/09/677247 FT EA 24/296
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 3:13 lid 2 BWArt. 2:19 lid 1 BWArt. 2:19 lid 4 BWArt. 2:19 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eigen faillietverklaring wegens misbruik van bevoegdheid en mogelijkheid tot turboliquidatie

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot haar eigen faillietverklaring, waarop de rechtbank Den Haag op 17 december 2024 in raadkamer heeft beslist. De rechtbank is bevoegd om deze insolventieprocedure te openen, aangezien het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

De rechtbank overweegt dat het doen van eigen aangifte faillissement kan worden misbruikt wanneer het belang bij de uitoefening niet opweegt tegen het belang dat daardoor wordt geschaad. Verzoekster heeft aangegeven dat zij een schuldenlast heeft van €136.277,11 verdeeld over drie schuldeisers en geen baten meer bezit. De ondernemingsactiviteiten zijn gestopt.

Gezien het ontbreken van baten zal een faillissement leiden tot werkzaamheden zonder vergoeding voor een curator en zonder uitkering aan schuldeisers. Verzoekster heeft de mogelijkheid om haar vennootschap te liquideren via turboliquidatie, waarbij de vennootschap zonder vereffening ophoudt te bestaan als er geen baten zijn. De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang bij faillietverklaring zwaarder weegt dan het belang van de curator om niet geconfronteerd te worden met niet-verhaalbare salariskosten.

Verzoekster stelde dat zij door een schuldeiser is gedagvaard en geen middelen heeft om verweer te voeren, en dat een curator objectief kan beoordelen of de schuldvordering gegrond is. De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat verificatie van schuldvorderingen pas aan de orde komt indien de faillissementsboedel dat rechtvaardigt, wat hier niet het geval is.

De rechtbank concludeert dat verzoekster naar redelijkheid niet had kunnen kiezen voor eigen aangifte in plaats van turboliquidatie en dat het verzoek misbruik van bevoegdheid inhoudt. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot eigen faillietverklaring wordt afgewezen wegens misbruik van bevoegdheid en de mogelijkheid tot turboliquidatie.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummer: C/09/677247 / FT EA 24/296
beschikking van 24 december 2024
in de zaak van
[verzoekster] B.V.
[adres]
[postcode] [vestigingsplaats],
verzoekster,
hierna: [verzoekster],
advocaat: mr. J.W. Verhoef.
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot haar eigen faillietverklaring. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt een overzicht van de procedure.

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot haar eigen faillietverklaring.
1.2.
Het verzoekschrift is op 17 december 2024 in raadkamer behandeld. Bij die gelegenheid is mr. Verhoef verschenen en gehoord:
1.3.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het ter zitting door mr. Verhoef overgelegde aandeelhoudersbesluit tot het aanvragen van het faillissement.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

Bevoegdheid

2.1.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Het beoordelingskader
2.2.
De bevoegdheid tot het doen van eigen aangifte kan worden misbruikt. Zoals volgt uit artikel 3:13 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
2.3.
In de eigen aangifte heeft [verzoekster] aangegeven dat de vennootschap een schulden-last heeft van € 136.277,11 verdeeld over drie schuldeisers. De ondernemingsactivitei-ten zijn gestopt. Volgens [verzoekster] zijn er geen bezittingen, of anders uitgedrukt: de rechtspersoon heeft geen baten meer (artikel 2:19 lid 4 BW Pro). Dit is ter zitting bevestigd.
2.4.
Bij deze stand van zaken dient er dus bij voorbaat van te worden uitgegaan dat er geen (te verwachten) baten zijn en dus dat het uitspreken van het faillissement er slechts toe zal leiden dat de nodige werkzaamheden zullen (moeten) worden verricht zonder dat een curator daarvoor een vergoeding zal ontvangen, en (dus) zonder dat een faillissement tot enige uitkering aan schuldeisers zal leiden.
2.5.
Voor [verzoekster] staat tegelijkertijd een mogelijkheid open om de vennootschap te liquideren. De ontbinding van de vennootschap kan worden bewerkstelligd door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van verzoekster (artikel 2:19 lid 1 aanhef Pro en onder a BW). Uit het bepaalde van artikel 2:19 leden Pro 4 en 5 volgt dat indien er ten tijde van de ontbinding geen baten zijn (te verwachten), geen vereffening volgt en de vennootschap terstond ophoudt te bestaan (‘turbo-liquidatie’).
2.6.
Het vorenstaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het op de weg van [verzoekster] lag om aannemelijk te maken dat – ondanks voornoemde mogelijkheid tot turbo-liquidatie – het belang bij het doen van de eigen aangifte zwaarder moet wegen, of ten minste even zwaar heeft te wegen, als het belang van de curator om verstoken te blijven van niet-verhaalbare salariskosten.
2.7.
Namens [verzoekster] is naar voren gebracht dat zij door een schuldeiser is gedagvaard tot betaling van een aanzienlijke vordering, zij deze vordering betwist, zij geen middelen heeft om in de procedure verweer te voeren en zij haar wederpartij heeft voorgesteld om in te stemmen met een faillissementsaanvraag zodat de curator objectief kan beoordelen of er sprake is van een gegronde schuldvordering. De rechtbank gaat hier aan voorbij reeds omdat hiermee lijkt te worden miskend dat een curator zich in de eerste plaats dient bezig te houden met het beheer en de vereffening van een failliete boedel. In de praktijk wordt pas aan de verificatie van schuldvorde-ringen toegekomen indien de stand van de faillissementsboedel dat rechtvaardigt. Hier moet op basis van hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd er van worden uitgegaan dat die situatie zich niet zal voordoen (artikel 16 Fw Pro). Hetgeen [verzoekster] heeft gesteld maakt dus niet dat aannemelijk is dat haar belang bij het doen van de eigen aangifte in voldoende mate opweegt tegen het hiervoor bedoelde belang van de curator.
2.8.
Hetgeen hiervoor is overwogen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [verzoekster] naar redelijkheid niet had kunnen komen tot de keuze voor het doen van eigen aangifte in plaats van het gebruik maken van de mogelijkheid van turboliquidatie en dat zij, door dat toch te doen, misbruik van bevoegdheid maakt. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot faillietverklaring van [verzoekster] af.
Dit is een beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met mr. M.J.P. Vink, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.