Eiser, met de Gambiaanse nationaliteit, betwist de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op het vermoeden van een overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken.
Eiser voert aan dat hij rechtmatig verblijf heeft in Italië, wat blijkt uit de weigering van Duitse autoriteiten om hem terug te nemen, en dat hij Nederland op correcte wijze is binnengekomen. Verweerder stelt echter dat onvoldoende duidelijk is of het rechtmatig verblijf in Italië nog steeds geldt en dat er aanwijzingen zijn dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de maatregel terecht baseert op zware gronden, waaronder het ontbreken van reis- en identiteitspapieren en het significant risico op onttrekking. De betwiste gronden 3a en 3b worden beoordeeld, waarbij 3a wordt aangenomen en 3b niet verder besproken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Verweerder handelt bovendien voldoende voortvarend door tijdig een verzoek om heroverweging in te dienen bij de Duitse autoriteiten.