ECLI:NL:RBDHA:2024:21720

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 december 2024
Publicatiedatum
20 december 2024
Zaaknummer
24/9462
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij inhouding vakantietoeslag

Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om vanaf 1 januari 2025 maandelijks vakantietoeslag uit te betalen en 5% van zijn Participatiewet-uitkering te reserveren voor schuldaflossing.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:83 Awb Pro. Hierbij werd vastgesteld dat alleen bij een financiële noodsituatie sprake kan zijn van een spoedeisend belang.

Omdat verzoeker tot 1 januari 2025 maandelijks over 90% van zijn norm kan beschikken, is er geen sprake van een financiële noodsituatie. Het college houdt maandelijks 5% in voor schuldaflossing en reserveert 5% vakantietoeslag die jaarlijks wordt uitbetaald. Vanaf 1 januari 2025 kan verzoeker zelfs 95% van zijn norm gebruiken.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker de uitkomst van het bezwaar kan afwachten en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9462

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2024 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college.

Inleiding

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 oktober 2024, waarbij het college heeft besloten om met ingang van 1 januari 2025 elke maand aan verzoeker vakantietoeslag uit te betalen en 5 % van zijn uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) te reserveren voor de afbetaling van zijn schuld aan het college.
Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter kan ingevolge 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in verzoekers geval van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Dat is het geval wanneer sprake is van een financiële noodsituatie.
4. Daarvan is in verzoekers geval geen sprake. Verzoeker krijgt een uitkering op grond van de Pw. Hij beschikt in verband met de inhouding uit hoofde van een op zijn uitkering gelegd derdenbeslag en de reservering van het vakantiegeld tot 1 januari 2025 maandelijks over 90 % van zijn norm. Het college houdt maandelijks 5 % van verzoekers bijstandsuitkering in om de schuld die hij heeft aan het college af te betalen. Het college reserveert ook elke maand 5 % van de bijstandsuitkering als vakantiegeld en betaalt dat jaarlijks in één keer uit. Omdat verzoeker tot 1 januari 2025 over 90 % van de op hem toepasselijke norm kan beschikken, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van spoedeisend belang. De hoogte van het percentage waarover verzoeker tot 1 januari 2024 kan beschikken is zodanig dat niet kan worden gesproken van een financiële noodsituatie. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden dat verzoeker de uitkomst van zijn bezwaar niet af zou kunnen wachten. Bovendien heeft hij vanaf 1 januari 2025 de beschikking over 95 % van zijn norm.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.