Uitspraak
Rechtbank Den HAAG
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 3 september 2024 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
[de vader] ,
Procedure
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De moeder verzocht de rechtbank om de onmiddellijke terugkeer van haar minderjarige kind te bevelen, op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De minderjarige verbleef tijdens de zomervakantie bij de vader in Nederland en zou op 30 augustus 2024 terugkeren naar de moeder in Hongarije, maar de vader hield het kind toen ongeoorloofd langer in Nederland.
De rechtbank stelde vast dat het kind inmiddels weer bij de moeder verblijft, waardoor het belang van de moeder bij het verzoek tot teruggeleiding is komen te vervallen. Het verzoek tot vaststelling van ongeoorloofde onttrekking en achterhouding werd eveneens afgewezen, omdat het Verdrag geen grondslag biedt voor dergelijke claims.
Ten aanzien van de proceskosten oordeelde de rechtbank dat partijen ieder hun eigen kosten dragen, maar veroordeelde de vader tot betaling van de helft van de door de moeder gemaakte en gespecificeerde kosten voor hotelovernachtingen en vliegtickets, een bedrag van €722,-. Het overige verzoek tot kostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot teruggeleiding afgewezen; vader veroordeeld tot betaling van de helft van de verblijfskosten van de moeder.