De rechtbank Den Haag heeft op 3 december 2024 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken SGR 22/4541 en SGR 23/1348 betreffende een omgevingsvergunning voor een hekwerk van 1,80 meter hoog op het perceel van derde-partij. Eisers voerden aan dat het hekwerk onrechtmatig is omdat het zich op het voorerf bevindt, voor de voorgevelrooilijn, terwijl het bestemmingsplan een maximale hoogte van 1 meter toestaat voor erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn.
De rechtbank oordeelt dat de voorgevel van het hoofdgebouw aan de zijde van de [straatnaam 2] ligt, conform de planregels, en dat het hekwerk derhalve achter de voorgevelrooilijn is geplaatst. De eerdere vergunningen en correspondentie waarin andere gevels als voorgevel werden aangemerkt, zijn niet relevant vanwege het gewijzigde planologisch regime. Het hekwerk voldoet aan de bouwhoogtevoorschriften achter de voorgevelrooilijn en is niet in strijd met het bestemmingsplan of andere regelgeving.
Verder is het verzoek om handhaving van het zonder vergunning bouwen van het hekwerk afgewezen omdat er concreet zicht op legalisatie bestond en de vergunning uiteindelijk is verleend. Eisers hebben een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden en kent een schadevergoeding van €1.000,- toe, te betalen door de Staat.
De beroepen van eisers tegen de omgevingsvergunning worden ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand, en de Staat wordt veroordeeld tot het betalen van de schadevergoeding en proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding.