Eiser, van Afghaanse nationaliteit, verzocht op 10 juni 2022 om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees dit op 18 oktober 2024 af, omdat de verklaringen over zijn problemen met de Taliban ongeloofwaardig werden geacht. Eiser stelde dat hij als herder zich instinctief verzette tegen de Taliban die een schaap wilden afpakken, waarna hij mishandeld werd en bedreigd met onthoofding.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het verzet tegen twee gewapende Taliban mannen ongeloofwaardig zou zijn, zonder rekening te houden met het impulsieve handelen van eiser. Ook het betoog over zijn lidmaatschap van de Hazara gemeenschap werd niet als apart motief beoordeeld, omdat eiser zelf verklaarde daar geen problemen mee te hebben.
Verder verwierp de rechtbank de ministerlijke aannames over de mogelijkheid van eiser om dezelfde dag te vluchten ondanks zijn verwondingen en de geloofwaardigheid van verklaringen over de dood van zijn broertje. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, inclusief een nieuwe motivering over de geloofwaardigheid van het verzet.
De rechtbank wees tevens proceskosten toe aan eiser van €1.750,-. De vraag of een Forensisch Medisch Onderzoek moet worden uitgevoerd, blijft aan de minister, die dit in het nieuwe besluit kan betrekken.