De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds februari 2023 in een pleeggezin verblijft. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, heeft een licht verstandelijke beperking en sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand, waardoor zij moeite heeft met het maken van weloverwogen keuzes. De minderjarige heeft behoefte aan een stabiele en vertrouwde opvoeder, en de huidige plaatsing in het pleeggezin verloopt goed.
Hoewel de samenwerking tussen de moeder en pleegouders over het algemeen goed is, ontstond eind november 2024 een breuk rondom bezoekmomenten, waardoor herstelgesprekken noodzakelijk zijn. De gecertificeerde instelling verzoekt daarom om verlenging van de maatregelen voor een jaar, zodat er voldoende tijd is voor herstel van de samenwerking en het vaststellen van een passende zorgregeling. De moeder en pleegouders stemmen in met dit verzoek.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke grond voor ondertoezichtstelling is vervuld en dat het belang van de minderjarige bij een stabiele opvoedsituatie voorop staat. De verlenging wordt toegekend tot 3 januari 2026, met de mogelijkheid tot het voeren van herstelgesprekken onder begeleiding van een onafhankelijke mediator. Tevens wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.