4.4De beoordeling van de tenlastelegging
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft het slachtoffer [naam] opgelicht voor een bedrag van € 5.579.000,-.
Door [naam] is in de periode van 18 januari 2016 tot en met 18 december 2020 een bedrag van € 4.559.845,43 overgemaakt naar rekeningen die toebehoren aan de verdachte.Dit heeft [naam] gedaan op verzoek van [medeverdachte 1] .Het gaat om een ING-rekening op naam van de verdachte, een SNS-rekening op naam van de overleden moeder van de verdachte en een ABN AMRO-rekening op naam van de verdachte. Naar de ING-rekening van de verdachte is € 80.195,43 overgemaakt, naar de SNS-rekening € 202.650,- en naar de ABN AMRO-rekening € 4.277.000,-.
De ING-rekening werd door de verdachte ook gebruikt voor haar eigen financiën. Vanaf die rekening nam zij op verzoek van [medeverdachte 1] tevens contant geld op dat door [naam] werd overgemaakt. De verdachte had zicht op de bijschrijvingen die plaatsvonden op de ING-rekening. De verdachte heeft – omdat dit eenvoudiger was – vervolgens de SNS-rekening die op naam van haar moeder stond ter beschikking gesteld aan [medeverdachte 1] . Toen die rekening werd gesloten, heeft de verdachte een ABN AMRO-rekening geopend op haar eigen naam en heeft zij die rekening ter beschikking gesteld aan [medeverdachte 1] .
De verdachte wist dat de rekeningen werden gebruikt om geld van [naam] op te ontvangen. [medeverdachte 1] heeft aan de verdachte verteld dat het ging om geld voor levensonderhoud.De verdachte heeft een brief van ABN AMRO-ontvangen waarin stond dat er duizenden euro’s cash waren opgenomen. Er zouden miljoenen over de rekening zijn gaan. De verdachte kreeg van [medeverdachte 1] te horen dat [naam] over het gestorte geld belasting betaalde; de verdachte heeft verder geen navraag gedaan bij [medeverdachte 1] .
Doordat de rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] het slachtoffer [naam] heeft opgelicht, staat vast dat de daaruit ontvangen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.
Opzetwitwassen?
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist dat [medeverdachte 1] zich schuldig maakte aan oplichting van [naam] . Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten. Van ‘vol opzet’ is dus geen sprake.
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat ook niet kan worden bewezen dat sprake is van opzet in voorwaardelijke zin. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank is onvoldoende overtuigd van een dergelijke bewustheid bij de verdachte. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat de verdachte heeft vertrouwd op de mededelingen van [medeverdachte 1] . Dat [medeverdachte 1] de verdachte heeft voorgelogen blijkt ook uit dossier. Zo heeft de raadsman gewezen op berichten van [medeverdachte 1] aan de verdachte waarin [medeverdachte 1] onder meer zegt: ‘
je bent wettelijk niks verplicht’, ‘
het gaat om wit geld’ en ‘
want er is echt 2 mil over betaald! criminelen doen dat niet’.
De rechtbank komt daarmee tot vrijspraak van opzetwitwassen en – in het verlengde daarvan – van gewoontewitwassen.
Schuldwitwassen?
De vervolgvraag is of de verdachte een strafrechtelijk verwijt valt te maken in die zin dat zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld een illegale herkomst had. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend.
De verdachte ontving gedurende een langere periode (zeer) grote geldbedragen op haar bankrekeningen. De grote geldbedragen hadden voor de verdachte aanleiding moeten zijn tot het stellen van (nadere) vragen; het ging immers om veel meer geld dan voor normaal levensonderhoud gebruikelijk is.
Ook het verhullende karakter van de geldstroom – doordat het geld via de rekening van de verdachte moest lopen, ook al was het geld niet voor haar bestemd – had reden moeten zijn voor de verdachte om onderzoek te doen naar de herkomst van het geld. Daar komt bij dat de verdachte niet één keer, maar meerdere keren een bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte 1] . Het gaat daarmee niet om een eenmalige vergissing, maar om herhaalde handelingen.
De verdachte heeft verklaard dat zij een brief van de ABN AMRO-bank heeft ontvangen waaruit bleek dat het om erg grote geldbedragen ging en dat zij daarover vragen heeft gesteld aan [medeverdachte 1] . Hieruit blijkt dus dat de verdachte wist dat het om heel veel geld ging. De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank te weinig vragen gesteld naar de herkomst van het geld en de noodzaak van het gebruik van haar bankrekening. De verdachte heeft haar vriendin willen helpen, maar had beter moeten nadenken. En naarmate de tijd verstreek en de hoeveelheid geld toenam, mocht dat ook in toenemende mate van haar worden verwacht. Het kan zo zijn dat de verdachte genoegen heeft genomen met de antwoorden van [medeverdachte 1] omdat zij met elkaar bevriend waren en ze [medeverdachte 1] vertrouwde, maar in dit geval waren er voor de verdachte zoveel redenen om vragen te stellen over de herkomst van het geld dat zij niet met die antwoorden mocht volstaan.
In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat de verdachte, als degene op wiens naam de rekening stond, op ieder moment nadere informatie van de bank had kunnen krijgen of toegang tot de rekening had kunnen vragen. Voor zover de verdachte geen zicht had op de geldstroom, komt dat voor rekening van de verdachte.
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdachte (een deel van) het geld niet voorhanden heeft gehad, omdat de verdachte – kort gezegd – de rekening uit handen had gegeven aan [medeverdachte 1] . Dit verweer kan niet slagen. Als tenaamgestelde kon de verdachte onder meer de rekening blokkeren of een nieuwe bankpas vragen bij de bank. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte daarmee voldoende beschikkingsmacht over de bankrekening(en) gehad om bewezen te verklaren dat zij de betreffende bedragen voorhanden heeft gehad.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van schuldwitwassen. De verdachte heeft dit bovendien in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] gedaan. De bedragen die op haar bankrekeningen werden gestort waren bestemd voor [medeverdachte 1] .
Het medeplegen van schuldwitwassen kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.