Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker stelde op 30 april 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn gezinsleden. Op 11 juni 2024 heeft de minister deze aanvraag alsnog ingewilligd. Vervolgens trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank overweegt dat verweerder geheel aan het beroep tegemoet is gekomen door de aanvraag alsnog te honoreren. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank in dat geval de proceskosten aan verzoeker toewijzen. De proceskosten worden vastgesteld op € 437,50, gebaseerd op een puntensysteem met een lichte wegingsfactor vanwege de beperkte aard van het beroep.
Daarnaast moet verweerder het betaalde griffierecht van € 187 aan verzoeker vergoeden conform artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting en veroordeelt verweerder tot vergoeding van deze kosten.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht na intrekking van het beroep wegens niet tijdig beslissen.