ECLI:NL:RBDHA:2024:22078
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om zijn Ziektewetuitkering per 4 november 2024 te beëindigen omdat hij geschikt is voor zijn eigen werk. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting en stelt vast dat het verzoek kennelijk ongegrond is.
De voorzieningenrechter overweegt dat bij financiële geschillen alleen een voorlopige voorziening wordt getroffen als sprake is van onverwijlde spoed. Verzoeker stelt dat hij geen ander inkomen heeft en zijn financiële verplichtingen niet kan nakomen, mede omdat een WW-uitkering is afgewezen en de gemeente Den Haag geen bijstandsuitkering verstrekt vanwege het ontbreken van een vaste woonplaats.
Uit de bankafschriften blijkt dat verzoeker in de relevante periode inkomsten en uitgaven had zonder aanwijzing van acute financiële nood, zoals hoge maandelijkse lasten. Bovendien is het aanvragen van een bijstandsuitkering met een briefadres mogelijk volgens de Participatiewet, maar verzoeker heeft dit niet onderbouwd. Daarom ontbreekt het spoedeisend belang en wordt het verzoek afgewezen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan op 18 december 2024 door de voorzieningenrechter D.R. van der Meer.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.