De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om twee minderjarige kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor zes maanden in een pleegzorgvoorziening. De kinderen hebben een belast verleden en vertonen onrustig gedrag; bij een van hen is een taal- en spraakachterstand vastgesteld. De Raad uitte zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders, die kampen met middelenmisbruik en een gebrek aan regie in de hulpverlening.
De ouders voerden verweer en toonden bereidheid tot samenwerking en hulpverlening, met de wens voor een andere gecertificeerde instelling vanwege negatieve ervaringen. De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling was voldaan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de kinderen. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De kinderrechter benadrukte het belang van een onafhankelijke jeugdbeschermer en het streven naar een veilige terugplaatsing van de kinderen naar huis, waarbij de uithuisplaatsing zo mogelijk eerder kan eindigen. De beschikking werd op 18 december 2024 uitgesproken en schriftelijk vastgelegd op 24 december 2024.