ECLI:NL:RBDHA:2024:22138
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van Richtlijn tijdelijke bescherming voor Oekraïense vreemdeling
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie dat hij geen verblijfsrecht in Nederland heeft op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. De minister had het besluit genomen op 11 juli 2023 en bij bezwaar van 15 maart 2024 gehandhaafd. De rechtbank behandelde het beroep op 18 oktober 2024.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet onder de Richtlijn valt omdat hij Oekraïne al op 30 januari 2020 heeft verlaten en sindsdien niet meer is teruggekeerd. De Richtlijn is alleen van toepassing op ontheemden die Oekraïne na 26 november 2021 hebben verlaten of die in de periode 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 in Nederland verbleven. Eiser kan zich niet beroepen op het gelijkheidsbeginsel omdat hij niet in een vergelijkbare situatie verkeert als anderen die onder de Richtlijn vallen.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht de aanvraag als een aparte procedure voor tijdelijke bescherming heeft behandeld, los van een asielaanvraag. Een ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro behoorde niet plaats te vinden binnen de procedure van de Richtlijn. Eiser heeft nog een lopende asielprocedure en daardoor procedureel verblijfsrecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft staan en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.