ECLI:NL:RBDHA:2024:22169
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000
De rechtbank Den Haag heeft op 24 december 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 werd beoordeeld.
Eiser voerde aan dat er sprake was van nieuwe feiten en gewijzigde omstandigheden, waaronder vrijwillige medewerking aan terugkeer en het overleggen van een rijbewijs, waardoor de belangenafweging door de minister niet correct zou zijn gemaakt. Tevens stelde eiser dat de minister een lichter middel had moeten toepassen en dat het zicht op uitzetting ontbrak. De rechtbank oordeelde dat de minister nog niet verplicht was tot een verzwaarde belangenafweging omdat de bewaring nog geen zes maanden duurde en dat het onttrekkingsrisico niet was weggenomen ondanks de medewerking van eiser.
De rechtbank stelde vast dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer door maandelijkse vertrekgesprekken en het rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten over de laisser-passer. De medische situatie van eiser rechtvaardigde geen lichter middel en het zicht op uitzetting was aanwezig, gelet op eerdere jurisprudentie en de gang van zaken met de Algerijnse autoriteiten.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.