Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de minister in het licht van artikel 8 EVRM Pro de belangen op juiste wijze gewogen?
t.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een meerderjarige Surinaamse zoon van een in Nederland gevestigde moeder, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als gezinslid bij zijn moeder te verblijven. De minister wees de aanvraag af, waarna eiser bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het jongvolwassenenbeleid van toepassing is en dat de minister een belangenafweging heeft gemaakt op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Eiser stelde dat de minister ten onrechte het economisch belang van Nederland te zwaar heeft meegewogen en onvoldoende rekening hield met zijn afhankelijkheid van zijn moeder, die in Nederland woont en werkt. De rechtbank overwoog dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en dat het feit dat het om een eerste toelating gaat, rechtvaardigt dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht een fair balance heeft gevonden tussen het persoonlijk belang van eiser en het algemeen belang van de staat bij een restrictief toelatingsbeleid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser werd geen griffierecht opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter P.J. Blok op 3 december 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard.