ECLI:NL:RBDHA:2024:22297

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2024
Publicatiedatum
2 januari 2025
Zaaknummer
SGR 23/1060
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, die zij vervolgens heeft ingetrokken na het bereiken van een schikking, waarbij het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gehandhaafd bleef.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn met negen maanden is overschreden, waarbij de bezwaarfase en beroepsfase gezamenlijk langer duurden dan toegestaan volgens artikel 6 EVRM Pro. De overschrijding wordt toegerekend aan zowel het college als de Staat, waarbij het schadebedrag van €1.000,- naar evenredigheid wordt verdeeld.

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van €555,56 en de Staat tot betaling van €444,44 aan eiseres. Proceskosten worden niet toegewezen omdat eiseres hier tijdens de zitting nadrukkelijk van heeft afgezien.

De uitspraak is gedaan door rechter L.C. Bannink en griffier D.W.A. van Weert op 16 december 2024 en is openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het college en de Staat tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1060
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2024 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigden: A. Salman-Göleli en mr. E.H. Buizert)
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 27 december 2022, welk besluit het college met het besluit van 8 mei 2023 heeft vervangen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door tolk M. Ates en haar dochter, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
1.2.
Ter zitting is tussen partijen een schikking tot stand gekomen. Eén van de gemaakte afspraken is dat eiseres haar beroep tegen de besluiten van 27 december 2022 en 8 mei 2023 intrekt, onder handhaving van het in de procedure gedane verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM [1] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De redelijke termijn is in een geval als dit in beginsel niet overschreden als de procedure vanaf het indienen van het bezwaarschrift in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar mag duren. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.
2.1.
De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 30 maart 2022, de datum waarop het bezwaarschrift door het college is ontvangen. De procedure is geëindigd op de datum waarop het beroep is ingetrokken, oftewel 3 december 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn met, afgerond naar boven, 9 maanden is overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.000,-.
2.2.
De behandeling van het beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 3 februari 2023 tot 3 december 2024 22 maanden geduurd. Dit is 4 maanden langer dan de redelijke termijn in de beroepsfase. Hieruit volgt dat een overschrijding van 5 maanden aan het college is toe te rekenen en 4 maanden aan de rechtbank. Het bedrag van € 1.000,- zal naar evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. De rechtbank zal daarom het college veroordelen tot betaling van een bedrag van € 555,56 (5/9 x € 1.000,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van € 444,44 (4/9 x € 1.000,-) aan eiseres.
2.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het college en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit omdat daar namens eiseres op de zitting van 3 december 2024 nadrukkelijk van is afgezien

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt het college tot het betalen van € 555,56 aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 444,44 aan schadevergoeding aan eiseres..
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.