De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde onder meer aan dat zijn asielwens eerder dan officieel geregistreerd was kenbaar gemaakt en dat de belangenafweging onrechtmatig was vanwege het ontbreken van overleg met de bewaringscoördinator van de IND.
De rechtbank stelde vast dat de asielwens van eiser pas op 26 november 2024 bij de Dienst Terugkeer & Vertrek bekend werd, ondanks dat eiser op 21 november 2024 zijn wens aan personeel van het detentiecentrum had geuit. De rechtbank oordeelde dat dit niet aan de minister kon worden toegerekend en verwierp deze beroepsgrond. Ook het ontbreken van overleg met de bewaringscoördinator werd niet als onrechtmatig beoordeeld, omdat de Vreemdelingencirculaire dit niet voorschrijft.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister voortvarend heeft gehandeld in de asielprocedure en dat de maatregel van bewaring voldoende was gemotiveerd en gebaseerd op juiste feiten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.