ECLI:NL:RBDHA:2024:22498
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid na niet-verschijnen op gehoor
Eiser diende op 9 november 2021 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in, die door de minister op 27 augustus 2024 werd afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. De minister beoordeelde vier asielmotieven, waaronder eisers homoseksuele gerichtheid, waarvan slechts enkele als geloofwaardig werden aangemerkt. Eiser en zijn gemachtigde verschenen niet op de zitting van 3 december 2024, waar het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening werden behandeld.
De rechtbank kon uit het beroepschrift niet opmaken welke juridische gronden tegen het besluit werden aangevoerd en ontbrak daardoor de mogelijkheid tot nadere toelichting. Omdat eiser en zijn gemachtigde niet verschenen, kon de rechtbank niet vaststellen of het besluit gebreken vertoonde. De aanvraag was eerder buiten behandeling gesteld wegens het niet verschijnen bij het gehoor en het niet indienen van een zienswijze.
De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.M. van Abbe en griffier M.M.A.F.C. Lienaerts op 9 december 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en niet verschijnen op de zitting.